The road not taken

Two roads diverged in a yellow wood,
And sorry I could not travel both
And be one traveler, long I stood
And looked down one as far as I could
To where it bent in the undergrowth; 

Then took the other, as just as fair,
And having perhaps the better claim
Because it was grassy and wanted wear,
Though as for that the passing there
Had worn them really about the same,

And both that morning equally lay
In leaves no step had trodden black.
Oh, I kept the first for another day! 
Yet knowing how way leads on to way
I doubted if I should ever come back.

I shall be telling this with a sigh
Somewhere ages and ages hence:
Two roads diverged in a wood, and I,
I took the one less traveled by,
And that has made all the difference. 

Robert Frost 1874 - 1963





The Gift Outright

Poem recited at John F.Kennedy's Inauguration

January 20, 1961

by Robert Frost



The land was ours before we were the land’s 
She was our land more than a hundred years 
Before we were her people.

She was ours 
In Massachusetts, in Virginia, 
But we were England’s, still colonials, 
Possessing what we still were unpossessed by, 
Possessed by what we now no more possessed. 

Something we were withholding made us weak 
Until we found out that it was ourselves 
We were withholding from our land of living, 
And forthwith found salvation in surrender. 

Such as we were we gave ourselves outright 
(The deed of gift was many deeds of war) 
To the land vaguely realizing westward, 
But still unstoried, artless, unenhanced, 
Such as she was, such as she will become.
============================================== 

https://nl.wikipedia.org/wiki/In_Flanders_Fields

In Flanders fields (luitenant-kolonel John McCrae, 1872-1918)

In Flanders fields the poppies blow

Between the crosses, row on row

That mark our place; and in the sky

The larks, still bravely singing, fly

Scarce heard amid the guns below.

We are the dead. Short days ago

We lived, felt dawn, saw sunset glow

Loved, and were loved, and now we lie

In Flanders fields.

Take up our quarrel with the foe:

To you from failing hands we throw

The torch; be yours to hold it high.

If ye break faith with us who die

We shall not sleep, though poppies grow

In Flanders fields.










==================================================

HET LIED DER ACHTTIEN DOODEN

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,
van Holland's vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind,
hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geeerd,
voordat een vloekbre schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt
het miss'lijk stuk bestond
en Holland's landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie,
- zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar-
verwerp al wat hij biedt
of bood die sluwe vogelaar.

Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk
- er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht
- en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw gena,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de loopen sta.

Achttien verzetsstrijders
Het gedicht HET LIED DER ACHTTIEN DOODEN is in 1941 geschreven door Jan Campert, en wordt twee jaar later illegaal uitgegeven. Het gedicht gaat over achttien verzetsstrijders (vijftien Geuzen en drie Februaristakers) die in hun cel op hun executie wachten.

==================================================

Waarom altijd weer

Waarom is het altijd
zo donker in mijn dromen
en moet ik de weg weer kwijt
hoe uit een lab of uit een kamp
naar huis te komen
en de grootste ramp
is de werkelijkheid,
altijd, altijd
als ik toch nog mag ontwaken
om je warm en helemaal en
levend aan te kunnen raken?

Is het om telkens weer en
weer de wrede les te leren
hoe ik alleen de dood in dwaal en
terug kan keren?

14 april 2012

Leo Vroman (1915-2014)

================================================

In memoriam mijzelf

  • Door vijanden omringd,
  • Door vrienden in den nood
  • Geschuwd als aas dat stinkt,
  • Houd ik mij lachend groot,
  • Al is mijn ziel verminkt,
  • Mijn lijf voor driekwart dood.
  •  
  • In 't leven was geen dag
  • Ooit zonder tegenspoed.
  • Ik leed kwaad en deed goed;
  • Dat is een hard gelag.
  • Nu, in verloren slag.
  • Strijd ik met starren moed.
  •  
  • Bedekt met sneeuw en ijs,
  • Getooid door menig lijk
  • Van wie de dwaze reis
  • Deed naar mijn innerlijk,
  • Eens vroeg licht als Parijs,
  • Nu het poolgebied gelijk.
  •  
  • Ik laat geen gave na,
  • Verniel wat ik volbracht;
  • Ik vraag om geen gena,
  • Vloek voor- en nageslacht;
  • Zij liggen waar ik sta,
  • Lachend de dood verwacht.
  •  
  • Ik deins niet voor de grens,
  • Nam afscheid van geen mensch,
  • Toch heb ik nog een wens,
  • Dat men mij na zal geven;
  • “Het goede deed hij slecht,
  • beleed het kwaad oprecht,
  • Hij stierf in het gevecht,
  • Hij leidde recht en slecht
  • Een onverdraagzaam leven”.

Jan Slauerhoff 1898-1936

===================================================

Uit de Mauthausen songs van Mikis Theodorakis,
die de onovertroffen Liesbeth List verzocht om die te zingen