Ik word weer mens

 

        Hier loopt mijn lichaam zich te vergewissen
        van de geluiden en het licht der stad,
        van geuren waar 't zich niet in kan vergissen,
        van aanrakingen die het lang moest missen
        en van zichzelf, dat het in 't aanzijn trad.

        Ik ben maar ademen, ik ben maar leven,
        een wezen trillend van genot, een dier;
        aan prikkelingen is het prijsgegeven,
        het wordt gestreeld en het herkent zich even:
        een lichaam dat mij viert en dat ik vier.

        Ik word weer mens, ik voel mijn ziel ontvonken
        aan deze vuurslag: zin en tegen-zin.
        En ik loop, in mijn lichaam diep verzonken,
        volkomen helder en volkomen dronken,
        verrukt het lichaam van de liefste in.


        Ad den Besten (1923-2015)
        uit: Verleden tijd (1950)

=========================================

    

 

Terwijl je slaapt, onder het laken,
tegen het licht dat je bedreigt,
wil ik een vers dat niets verzwijgt,
een sprei van liefde voor je haken.

Ik heb je lief, en liefde stijgt
tot boven de gedeelde daken
waaronder wij het samen maken
wat anderen eronder krijgt.

Jij bent wat ik ben. Ik ben jou.
Jij bent mijn eerstgeboren vrouw.
Het leven is bij jou begonnen.

En voor ik één woord heb verzonnen
heeft weer de eenvoud overwonnen:
ik heb je lief, ik hou van jou.



 Nico Scheepmaker (1930-1990)
 uit: Het rijmt, dat scheelt (1987)

 

 


        TROOSTVOGEL

        Wanneer je soms iets naars beleeft
        Je niet mag uitgaan door de regen
        Of slaande ruzie hebt gekregen
        Met iemand waar je veel om geeft

        Als speelgoed door een mankement
        Niet meer zo leuk is als tevoren
        Je kwartje ergens is verloren
        Kortom, als je verdrietig bent

        Dan komt de vogel met een lied
        Je hoort het, maar je ziet hem niet
        En als hij voor je heeft gezongen
        Dan vliegt hij weg met jouw verdriet

        Zolang er kinderen bestaan
        Is hij ze altijd komen troosten
        In Doesburg of in 't Verre Oosten
        Of waar hij ook naar toe moest gaan

        De vogel is in al die tijd
        Nog nooit beschreven of geschilderd
        Is hij beeldschoon of erg verwilderd?
        Daarover heerst onzekerheid

        In elk geval, hij meent het goed
        Hoewel door alles wat hij doet
        Je kans hebt dat je noodgedwongen
        Een tijdje op hem wachten moet

        Dan komt de vogel met een lied
        Je hoort hem, maar je ziet hem niet
        En als hij voor je heeft gezongen
        Dan vliegt hij weg met jouw verdriet


        Drs. P (1919-2015)

 
IN 'T KLEIN CAFE

In 't klein café zitten nu tien personen,
'k Heb ze een voor een zorgvuldig nageteld:
twee kruideniers, één visboer en zes zonen
van brave burgerlui met zeer veel geld.

Ze spelen kaart of dobbelen en praten,
ze zijn luidruchtig, stevig en gezond.
Moeder Fortuin zal nooit hun dak verlaten,
ze hebben huizen, aandelen en grond.

Ze zijn zo blij dat Christus is geboren,
en blijder nog, dat zij geboren zijn.
`Minuit Chrétiens' de stralende englenkoren
zingen den lof van 't leven en den wijn.

Ze zijn ten slotte niet onsympathiek
die dwaze stumpers door hun tijd verblind.
- Wordt een van hen vandaag of morgen ziek,
dan schreit hij om zijn moeder als een kind.


Jan van Nijlen (1884-1965)